Tag Archives: Familie

Herinnering

Een paar dagen Amsterdam. Voor het eerst weer terug in de stad die ik 7 maanden geleden nietsvermoedend voorgoed verliet. Ik ging voor twee dagen naar mijn ouders, maar keerde nooit meer terug. Een dag later overleed mijn moeder en tien dagen daarna ben ik verhuisd. 

Een paar dagen Amsterdam. Ik verblijf in het huis van neef J. Naast de eettafel hangt een foto van zijn trouwdag. Met alle genodigden. Oom M. staat er op, fier en stralend. Hij overleed een jaar later. Ook mijn moeder staat op de foto, eveneens stralend. Levend. 

Ik sta niet op de foto. Op het moment dat de foto is gemaakt, lag ik op de spoedeisende hulp, zonder te weten wie of waar ik was. Op weg naar deze bruiloft kreeg ik het ongeluk dat mijn leven veranderde.

Één foto. Een herinnering aan een mooiste dag van een leven. Maar kijk ik ernaar, voel ik een intens verdriet. 

Nostalgie

Met Kerstmis word ik nogal nostalgisch. Dat is een grove leugen. Ik ben altijd nostalgisch. Nostalgisch is my middle name. Nostalgisch en romantisch. Het is maar goed dat ik ook nuchter en rationeel ben, anders zou ik als dweperig bakvisje niks meer gedaan krijgen, eeuwig verzonken in dromen over vervlogen tijden. Maar goed, Kerstmis. Kerstmis voedt mijn nostalgische aard. Dat is niet zo gek. Want onze Kerst was vroeger perfect.

De feestdagen waren bij ons thuis doordrenkt van tradities. Heerlijke tradities. De kerstboom kwam altijd heel laat, één of twee dagen voor kerst, en dan werd het hele huis in kerstsferen gebracht, tot het speciale kersttafellaken aan toe. We zetten de kerstplaat op (maar wel pas ná Sinterklaas; de Sinterklaasplaat pas ná Sint Maarten), maakten een kerststukje op school en kregen soms nieuwe kleren, die we pas aanmochten op kerstavond. Want dan begon het.

Zodra we oud genoeg waren, gingen we mee naar de nachtmis. In onze nieuwe kerstkleren. De leukste kerk van het jaar en niet alleen vanwege de kerstkransjes die we na afloop kregen. Dat we na afloop ook alle enge mensen uit de kerk een hand moesten geven en ‘Zalig Kerstfeest’ moesten wensen, namen we op de koop toe. Na middernacht liepen we naar huis, als we geluk hadden sneeuwde het. Mijn vader liep 5 meter voor ons – mijn moeder noemde hem steevast een Turk – en wij zongen kerstliedjes om onszelf warm te houden. Naast onze dunne panty’s maakte ook de slaap het tot een ijskoude wandeling. Thuis bleven de lichten uit en staken we kaarsjes aan. Het was Kerst! We aten chocola en toastjes tot we omvielen en naar bed gingen.

Eerste kerstdag werden we gewekt door de fanfareband uit het dorp – een in het dorp alom geliefde traditie die tot op de dag van vandaag bestaat – die op iedere straathoek zachtjes Stille Nacht speelt. Naar beneden mochten we nog niet en de tijd totdat het signaal daarvoor werd gegeven duurde als kind een oneindigheid. Alleen mijn moeder was beneden en dekte de ontbijttafel met allerlei lekkers en stak de kaarsjes aan. Zodra ze de kerstplaat opzette en Mahalia Jackson keihard door het huis schetterde, mochten we naar beneden.

Er volgden twee heerlijke lange lome dagen vol verveling. Het goede soort verveling, want zo vaak kwam het niet voor dat we alle zes de hele dag thuis, binnen en beneden waren. We speelden spelletjes, keken The Sound of Music en de dagen duurde eindeloos. Mijn moeder kookte een 4-gangendiner en wij maakten menukaartjes en dekten de tafel. Of we gingen gourmetten of fonduën in zo’n mooie jaren ’70 oranje fonduepan. Zowel bij het ontbijt als bij het avondeten kregen we ruzie over wie de kaarsjes mocht uitblazen.

Nog altijd ben ik dol op Kerstmis, ook al is het jaren geleden dat we het op deze manier hebben gevierd. Ook dit jaar zal ik weer worden gewekt door de fanfareband. Maar ik ga niet naar de nachtmis. Mijn moeder zal de kerstplaat niet opzetten en de tafel niet dekken. Maar ze is er wel bij. Voor de laatste keer vier ik Kerstmis met allebei mijn ouders. Nostalgie galore, me dunkt.
Zalig Kerstfeest.

Beetje veel

Het is allemaal een beetje veel. En doordat het allemaal een beetje veel is, wordt ook een beetje, veel.

Sinds ik hersenletsel heb is het al snel te veel. Het lijkt wel of mijn hoofd kleiner is geworden, er past maar heel weinig in. Als er iets groots speelt in mijn leven, valt al het andere gewoon uit mijn hoofd. Ik ben het volledig kwijt. Ik denk er niet meer aan. Er is geen ruimte meer voor. En dan, ineens, is het er weer. Popt het weer op. Als ik er dan niet meteen iets mee doe, verdwijnt het net zo snel weer.

Op dit moment is het heel veel. De ziekte van mijn moeder neemt – logisch – erg veel ruimte in mijn hoofd. Toen mijn moeder net ziek was, overleed een oud-collega. Nog steeds zeg ik minstens 1x per week tegen mezelf: ‘P. is dood’, want er is geen ruimte geweest of gekomen om dat een plek te geven. Ik kon niet naar de begrafenis en het is door de situatie met mijn moeder bijna langs me heen gegaan. Ik moet mezelf er echt aan herinneren dat hij P. er niet meer is. Maar het past nog steeds niet in mijn hoofd.

De ziekte van mijn moeder en het overlijden van collega P. zijn niet de enige dingen die ruimte innemen of zoeken in mijn hoofd. Er staat ook een verhuizing op stapel. Nu staat die verhuizing al een tijd op stapel, maar het kan nu toch echt niet lang meer duren voor ik een huis heb. Een verhuizing is ook HEEL ERG GROOT. Met alleen een verhuizing zou mijn hoofd al propvol zijn. Maar mijn moeder is ook nog ziek.

Tussendoor worden ogenschijnlijk kleine dingen ook enorm: ga ik met oud & nieuw een weekje weg met vriendin M. en haar gezin (lees: 2 kinderen onder de twee)? Trek ik het dan in één huisje of wil ik een ruimte voor mezelf? Hoeveel geld heb ik daar voor over? Ik krijg de keuze niet gemaakt, de beslissing niet genomen.

Ga ik, zoals ieder jaar, Sinterklaas vieren met mijn vriendinnen? Ik ben dol op Sinterklaas en moet ook echt leuke dingen blijven doen, maar is het niet te veel nu? Is alles niet te veel nu? Ik moet dan nadenken over cadeautjes, suprise en gedicht, die ook nog kopen en maken met mijn volle hoofd en ook nog de viering zelf kunnen doorstaan. Moeilijk moeilijk.

Ga ik voor een onderzoek naar het ziekenhuis in Utrecht, naar een arts die mij is aangeraden? Of kies ik voor het comfort van Amsterdam?

Ga ik naar mijn ouders of blijf ik thuis? Bezoek ik mijn moeder in het ziekenhuis nu wel of niet? Kan ik nu wel of geen boodschappen bestellen deze week? Welke zonnebril moet ik kiezen?

Keuzes maken. Beslissingen nemen. Ik was er al nooit goed in. Toen vriendin R. aanbood booschappen langs te brengen, wilde ik dat maar al te graag accepteren, maar ik kon, for the life of me, niet bedenken wát ze dan moest brengen. Bij de opticien heb ik van de week 6x van bril gewisseld, zelfs nadat de brillenmeneer mijn keuze al had genoteerd. Mijn hoofd is te vol. Het is een beetje veel allemaal.

Steeds denk ik: ‘als dit maar voorbij is’ of ‘als dat eenmaal gebeurd is’, dan komt het goed. Dan heb ik weer ruimte in mijn hoofd en kan ik weer nieuwe dingen ondernemen. Maar wat als er steeds maar grote dingen blijven komen? Wanneer wordt een beetje veel veel te veel?

Life happens

Mijn moeder is ziek. Ernstig ziek. Het lukte me niet hier eerder over te schrijven. Ik kreeg niet bedacht hoe ik een stukje kon schrijven over mijn zieke moeder zonder dat het over mij zou gaan. En dat voelde te egocentrisch. Voelt egocentrisch.

Mijn moeder is ziek en heeft niet lang meer te leven. Dit weten we sinds een maand. Het leven is sinds we het weten veranderd in een roes. Een verdrietige roes, natuurlijk, maar een roes die nog vele andere bijvoeglijk naamwoorden kan krijgen. We brengen tijd door met elkaar, met familie en vrienden, we praten over dingen die ertoe doen en over futiliteiten. We vieren het leven, we lachen en we huilen. We berusten. Want ook dit hoort bij het leven.

Mijn moeder is ziek en ik ga een stukje schrijven over mezelf. Want ook dit is anders met hersenletsel. Heel anders. Het leven is een roes, dat zou het ook zijn als ik geen hersenletsel zou hebben. Maar zou ik geen hersenletsel hebben, dan zou ik gewoon werken. Dan zou ik gewoon naar verjaardagen en feestjes gaan, gewoon leuke dingen doen. Ik zou verdrietig zijn, en moe, maar ik zou kunnen genieten van andere dingen, blij zijn met de afleiding, kunnen zien dat het leven meer is dan alleen die verdrietige roes.

Mijn beperkte energieniveau maakt de roes extra zwaar. Ik zie mijn broers en zus doorgaan met hun leven. Ze gaan naar hun werk, dagjes uit met de kinderen, gaan uit eten of een paar dagen weg. Dat steekt. Als ik wat afstand neem, zie ik dat wat zij doen heel normaal is, dat hun leven inderdaad doorgaat, dat zij een gezin hebben waarvoor ze moeten zorgen. Zij kunnen deze dingen doen én er zijn voor mijn ouders. Aan het eind van hun werkdag nog even langs bij mijn moeder. Op hun vrije middag mee naar het ziekenhuis. Wil ik één keer per week mijn moeder zien – toch het minimum als ze nog een paar weken te leven heeft – dan kan ik niet even op een avond op en neer. De reis vermoeit me dusdanig, dat ik een paar dagen moet blijven. Die paar dagen kosten me zo veel energie dat ik de dagen thuis niets kan dan bijkomen. Na een paar dagen op apegapen kan ik nog net de broodnodige administratie en was doen en de week is weer voorbij en ik wil mijn moeder weer bezoeken. Er is alleen de roes.

Mijn moeder is ziek en ik ervaar een nieuwe confrontatie met mijn hersenletsel. Met mijn beperkingen. Daarover schrijven mag misschien egocentrisch zijn, maar ook mijn leven gaat door. Ik ga niet naar mijn werk of uit eten of een dagje weg. Ik moet bijkomen, hang voor de tv en haak me het schompes. En reflecteer op hoe het leven is met hersenletsel.