Monthly Archives: September 2014

Doe maar gewoon?

Vroeger was Duopenotti al exotisch. Thuis hadden we jam, hagelslag, chocopasta, pindakaas, kaas en wat wisselende vleeswaren. At ik op woensdagmiddag bij vriendinnetjes en was er duopenotti dan kon ik mijn geluk niet op. Waarom hadden wij nooit duopenotti? Ik associeerde duopenotti met rijkdom, luxe en dingen waar ik alleen van kon dromen.

Het beperkte zich niet tot het broodbeleg. Bij de thee aten wij simpele kaakjes (in het weekend soms een stroopwafel!) en als toetje was er yoghurt of vla. Als we jarig waren kozen we dubbelvla, een geweldige traktatie.

Toen ik zojuist mijn lunch verorberde, realiseerde ik me hoe de tijden zijn veranderd. Ik at een boterham met zalm (en rucola) en een boterham met humus (en rucola). Vroeger at je, als je al buiten de deur de lunch gebruikte, een broodje kaas of een broodje gezond. Een broodje beenham of kroket was al bijzonder. Nu kan een café zich niet serieus nemen als het niet minstens broodjes zalm, humus, geitenkaas en avocado op de kaart heeft staan.

Nu ik vrijwel altijd thuis lunch, zijn deze producten ook steeds meer in mijn koelkast te vinden. Ik eet ook nog altijd pindakaas en kaas, maar vind humus en zalm net zulke doordeweekse producten. Is er sprake van een deflatie van luxe producten? Toen ik nog lesgaf viel ik haast van verbazing achterover toen een leerling tijdens de les vast aan zijn lunch begon. Geen boterham met pindakaas, zelfs niet met humus, nee, hij at sushi. Sushi!

IMG_2233.JPG

Nederlanders staan bekend om het motto: ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’. En we klagen graag. En het is (was) crisis. Maar ‘gewoon’ een boterham met pindakaas? Doe niet zo gek!

Life happens

Mijn moeder is ziek. Ernstig ziek. Het lukte me niet hier eerder over te schrijven. Ik kreeg niet bedacht hoe ik een stukje kon schrijven over mijn zieke moeder zonder dat het over mij zou gaan. En dat voelde te egocentrisch. Voelt egocentrisch.

Mijn moeder is ziek en heeft niet lang meer te leven. Dit weten we sinds een maand. Het leven is sinds we het weten veranderd in een roes. Een verdrietige roes, natuurlijk, maar een roes die nog vele andere bijvoeglijk naamwoorden kan krijgen. We brengen tijd door met elkaar, met familie en vrienden, we praten over dingen die ertoe doen en over futiliteiten. We vieren het leven, we lachen en we huilen. We berusten. Want ook dit hoort bij het leven.

Mijn moeder is ziek en ik ga een stukje schrijven over mezelf. Want ook dit is anders met hersenletsel. Heel anders. Het leven is een roes, dat zou het ook zijn als ik geen hersenletsel zou hebben. Maar zou ik geen hersenletsel hebben, dan zou ik gewoon werken. Dan zou ik gewoon naar verjaardagen en feestjes gaan, gewoon leuke dingen doen. Ik zou verdrietig zijn, en moe, maar ik zou kunnen genieten van andere dingen, blij zijn met de afleiding, kunnen zien dat het leven meer is dan alleen die verdrietige roes.

Mijn beperkte energieniveau maakt de roes extra zwaar. Ik zie mijn broers en zus doorgaan met hun leven. Ze gaan naar hun werk, dagjes uit met de kinderen, gaan uit eten of een paar dagen weg. Dat steekt. Als ik wat afstand neem, zie ik dat wat zij doen heel normaal is, dat hun leven inderdaad doorgaat, dat zij een gezin hebben waarvoor ze moeten zorgen. Zij kunnen deze dingen doen én er zijn voor mijn ouders. Aan het eind van hun werkdag nog even langs bij mijn moeder. Op hun vrije middag mee naar het ziekenhuis. Wil ik één keer per week mijn moeder zien – toch het minimum als ze nog een paar weken te leven heeft – dan kan ik niet even op een avond op en neer. De reis vermoeit me dusdanig, dat ik een paar dagen moet blijven. Die paar dagen kosten me zo veel energie dat ik de dagen thuis niets kan dan bijkomen. Na een paar dagen op apegapen kan ik nog net de broodnodige administratie en was doen en de week is weer voorbij en ik wil mijn moeder weer bezoeken. Er is alleen de roes.

Mijn moeder is ziek en ik ervaar een nieuwe confrontatie met mijn hersenletsel. Met mijn beperkingen. Daarover schrijven mag misschien egocentrisch zijn, maar ook mijn leven gaat door. Ik ga niet naar mijn werk of uit eten of een dagje weg. Ik moet bijkomen, hang voor de tv en haak me het schompes. En reflecteer op hoe het leven is met hersenletsel.