Monthly Archives: January 2014

Boodschappen

Mensen hebben nogal eens de neiging om ‘o, maar dat heb ik ook!’ tegen me te zeggen. Ongetwijfeld willen ze daarmee troost bieden. Het is helemaal niet zo erg als het lijkt, je bent nog tot heel veel in staat. Ik snap dat. Maar het tegenovergestelde gebeurt. Het bagatelliseert. Daarom probeer ik altijd duidelijk te maken dat ik vóór het ongeluk niet zo was. En dat er voor mij dus wel degelijk iets is veranderd. Dat ik mezelf niet meer ben. Dat ik geconfronteerd word met beperkingen die ik eerder niet had. En dat dat voor mij soms lastig is. Daarom nu ook eerst een stukje over hoe boodschappen doen voor mij was voor ik hersenletsel had.

Ik had niet altijd zin om boodschappen te doen. Gewoon omdat ik liever op de bank wilde hangen, een boek wilde lezen of eerst mijn lessen wilde voorbereiden. Maar boodschappen doen vond ik best leuk. Op vakantie helemaal. Dan kon je me er bijna voor wakker maken. Ik maakte nooit boodschappenlijstjes. Ik liep de supermarkt in, liet me inspireren door de aanbiedingen, bedacht ter plekke recepten en sprokkelde de ingrediënten bij elkaar, terwijl ik ook de nodige voorraad als kattenvoer en wc-papier tijdig wist aan te vullen. Met volle tassen kwam ik thuis, zelden iets vergeten, zelden te veel in huis gehaald.

Boodschappen doen nu is verworden tot één van de naarste dingen in mijn leven. Ik probeer het zo veel mogelijk te vermijden door maximaal eens per week boodschappen te doen en zo mogelijk online te shoppen en de boodschappen te laten bezorgen. Waarom is dit zo naar? Misschien kun je dat een beetje zelf ervaren. Doe dan het volgende:

Neem, een volgende keer dat je een supermarkt binnenstapt, even een moment om al je zintuigen maximaal open te stellen. Begin met het geluid: luister gericht naar de muziek. Hoor gelijktijdig de piepjes van de kassa, de rollende winkelwagentjes, het neerzetten van een doos of krat door het winkelpersoneel en elk woord dat door het winkelend publiek en het personeel wordt uitgeproken. Hoor je de muziek nog steeds? Opletten, hè? Terwijl je al deze dingen bewust laat binnenkomen, richt je je aandacht ook op het licht. Waar komt het licht allemaal vandaan? Is er één lichtbron? Eén soort licht? Of zijn er meerdere. Laat al dat licht binnenkomen. Kijk om je heen. Registreer nu alles wat je ziet: de mensen, hun kleren, hun bewegingen. Alle, maar dan ook echt ALLE artikelen die daar te zien zijn. De vloer (heeft hij spikkeltjes of niet? zijn het tegels? hoe liggen ze?). Ben je je nog steeds bewust van alle geluiden? Muziek, kassapiepjes, pratende mensen? Laat je aandacht niet verslappen! Let nu op de geuren. Is er een verse broodafdeling in de winkel? Ruik je misschien het fruit of de verse kruiden? Loopt er misschien iemand die stinkt dicht langs je? Wees je bewust van alles geuren, maar vergeet ook de geluiden en alles wat je ziet niet. En ga dan nu op zoek naar je boodschappen.

Ik denk dat het je niet eens lúkt om daadwerkelijk alle prikkels tegelijk te laten binnenkomen. Je brein is er in getraind te filteren, om enkel de informatie die je op dat moment nodig hebt of waar je je aandacht op richt door te laten. Gelukkig maar! Want zou je alles tegelijk zien, horen, voelen, ruiken, dan zou je helemaal kriegel worden en nergens meer toe in staat zijn. En dát is dus precies waarom boodschappen doen voor mij zo naar is. Ik heb geen keus. Ik zie, hoor, ruik en voel alles. En dat is in een supermarkt heel veel. Om op zo’n moment nog na te moeten denken, te moeten zoeken, beslissingen te moeten nemen, is onmogelijk. Daarom is een boodschappenlijstje essentieel geworden. Ook koop ik vrijwel altijd dezelfde producten. In dezelfde winkel. Aangezien mijn geheugen zeer goed werkt (als de informatie tenminste opgeslagen wordt, daar gaat het nog wel eens mis), weet ik alles met mijn ogen dicht te vinden. De eieren staan in het tweede pad, tweede meter van links, tweede plank van onder. De melk in de hoek van de koeling, tweede meter van links, bovenste plank. De pindakaas tweede pad, tweede meter van rechts, onderste plank. En zo kan ik alles wat ik regelmatig koop direct vinden. Heb ik iets nodig wat ik zelden koop, bestel ik het via internet. Want zoeken is geen optie. Want zoek ik, dan moet ik nog meer informatie laten binnenkomen. Ik moet naast al die prikkels die er toch al binnenkomen, bewust mijn luikjes openzetten voor schappen vol producten en daaruit het juiste filteren. Dat kost ONGELOOFLIJK veel energie.

Even boodschappen doen. Zelfs als het rustig is, is het een helse klus.

Vannacht droomde ik dat ik weer in de supermarkt, waar ik jaren mijn bijbaan had, werkte. Mét hersenletsel. Waarom ik in mijn dromen niet hersenletselvrij mag zijn, is me een raadsel, maar dat terzijde. Uitgeput en met knallende koppijn werd ik wakker. Wat. Een. Hel. 

Gemis

‘Wat mis je nou het meest van het onderwijs?’

Toen vriendin M. me dit vroeg kon ik er zowaar op antwoorden. Over het algemeen vind ik het namelijk heel moeilijk te beschrijven wat ik mis. Ik bezie alles door mijn hersenletselbril en kan me met die bril op soms niet meer voorstellen welk plezier men kan beleven aan lesgeven, uitgaan of sporten. Daardoor ervaar ik ook zelden een gevoel van gemis. Sta ik er bij stil, heb ik tijd om er over na te denken, dan kan ik goed de dingen benoemen die ik zo erg waardeerde voor ik hersenletsel opliep. In het geval van het onderwijs: de wisselwerking met en tussen een groep pubers, de ‘elke dag anders’ ervaring en het vertrouwen dat ik in de loop der jaren had opgebouwd om de groepsprocessen te laten gebeuren of juist in te grijpen en me kwetsbaar op te stellen als dat nodig was.

Er zijn maar weinig momenten dat ik stil sta bij het gemis. Soms overvalt het me. Het zit in de kleine dingen en wordt vaak veroorzaakt door iets wat ik op televisie zie of in een tijdschrift lees. De meest simpele dingen. Een recensie van een toneelstuk dat ik graag zo zien, een NS-wandeling in de Spoor, de aankondiging van een tentoonstelling, een advertentie voor een vakantie. Ik lees dat en denk ‘dat is leuk om eens te doen’, ben het al bijna aan het plannen en realiseer me dan ineens dat het niet meer voor mij weggelegd is. En nooit meer zal zijn.

Televisie doet in dat opzicht de laatste weken hard zijn best. De documentaire De School maakt het gemis heel tastbaar. In de leerlingen die worden gevolgd zie ik mijn leerlingen. Ik zie de betrokkenheid van de docenten, de fouten die ze maken en bedenk hoe ik het anders zou doen. Hoe ik het anders gá doen als ik weer voor de klas sta. En dan, ineens, ergens halverwege de aflevering, komt het binnen: ik bén niet meer die docent, ik ga nooit meer voor de klas staan. Dan mis ik het.

Een heel ander gemis wordt veroorzaakt door Ramses. Ik zie mensen door de stad lopen, op een brug zitten, in de stadsschouwburg. Ik zie mensen drinken en lachen en dansen. Ik zie mijn stad. Ik zie mijn leven (ok, mijn leven was íets minder wild). Ik krijg zin om te drinken, om dronken door de nacht te zwalken, ik wil naar de schouwburg, naar de Smoeshaan, ik wil dansen en lachen.

Ik wil zelf weer op het toneel staan. Ik wil repeteren in het Sarphatihuis, waar ik Ramses in de laatste maanden van zijn leven tegenkwam. Ik wil iedere week langs de muurschildering van Ramses fietsen, die een week na zijn dood op het tranformatorhuisje naast het Sarphatihuis verscheen. Ik wil weer op de Dam staan en met duizenden mensen meezingen als Ramses, die amper nog kan staan, zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder zingt.

Dan, als ik de stad op haar mooist zie, dan mis ik het.

De allerkleinste, de simpelste dingen. De dingen waar ik in de waan van de dag zelden bij stil sta. Het gemis wordt pas zichtbaar als ik het weer zie.

Een nieuwe stap

Sinds mijn vorige post heb ik honderden dingen bedacht waar ik een stukje over wil schrijven: boodschappen doen, heksenletsel, de feestdagen, mijn weekje Ardennen, bureaucratische nasleep en nog zo veel meer. Maar: geen tijd. Of, misschien beter: geen zin. Of, misschien nog beter: geen puf. Het waren behoorlijk slopende weken. Niet eens zozeer vanwege de feestdagen en de reguliere decemberdrukte. De combinatie met ALLES maakt het zo zwaar. Vandaar ook mijn tip voor 2014: word maar niet aangereden. Echt. Kan je goed missen. Over dat ALLES ooit nog meer (bureaucratische nasleep), maar nu: een nieuwe stap.

Werk. Vóór die nieuwe stap eerst even een stukje historie. Voordat ik in juni 2012 werd aangereden was ik al enige jaren met veel (ok, eerlijk, wisselend, maar de laatste tijd veel) plezier werkzaam op een gymnasium hier in Amsterdam. Nadat ik de eerste 5 maanden na het ongeluk volop lag te wachten tot ik beter werd, en mijn steentje bijdroeg om dat proces te versnellen, vond ik het eind oktober 2012 tijd om maar eens aan het werk te gaan. Van dat thuis zitten werd ik ook niet beter. Ik begon rustig aan: 2 keer per week een uurtje in een rustige ruimte wat administratief werk verrichten. Ik keek wat na, maakte wat lesmateriaal, deed wat mindnumbing klusjes voor de conciërge en probeerde weer te wennen aan de hectiek van de school. Langzaam, heel langzaam breidde ik wat uit. In uren en in klusjes. Ik ging wat op bezoek bij ‘mijn’ lieve zesde klas, gaf wat bijles aan een uitgevallen leerling en coachte een nieuwe collega. Was ik in eerste instantie nog blij om weer iets om handen te hebben, om me nuttig te voelen en om er weer een beetje bij te horen, na verloop van tijd gaf het geen voldoening meer. Ik kwam niet verder. Ik stagneerde op 6 uur per week. Een terugkeer voor de klas leek me onmogelijk. De extreme overprikkeling die een middelbare school met zich mee brengt, eiste zijn tol. Dit ging hem echt niet worden.

In de zomer van 2013 kwam ik terecht bij het revalidatiecentrum. Daar besloot ik met mijn therapeuten dat ik niet langer op arbeidstherapeutische basis zou werken op school. Het kostte me, naast het revalideren, te veel energie en het zou toch niets opleveren. In oktober werd dit bevestigd door een arbeidsdeskundige. Het was officieel. Dat wat ik al ruim een half jaar wist, was nu een feit. Ik zal niet meer terugkeren in mijn oude functie op school (al blijf ik er tot juni in dienst en mocht ik in de tussentijd op miraculeuze wijze herstellen, ligt mijn baan daar dus nog op mij te wachten).

En dan? Dan volgt de re-integratie tweede spoor. Je werkgever is verplicht zich in te spannen om je elders aan het werk te krijgen. Hiertoe kan hij een re-integratiebureau in de arm nemen. Dit moest dan ook gebeuren. Het re-integratiebureau gaat dan, samen met mij, op zoek naar een andere functie waarin ik duurzaam aan de slag kan.

Terwijl ik op dat re-integratiebureau zat te wachten (er gaat steeds ontzettend veel tijd overheen) kwam er echter al iets op mijn pad. Samen met mijn leidinggevende had ik al een paar keer gesproken over ideeën voor de toekomst en het boekenvak was meerdere malen ter sprake gekomen. Een lastige sector in deze tijden van bezuinigingen. Bovendien een sector waarin ik weinig ervaring heb. Op Twitter zag ik dat een studiegenoot van me op zoek was naar een stagair bij hem in de boekhandel. Dat leek me een ideale kans! Een manier om te zien of deze sector passende arbeid biedt voor mijn huidige situatie, een manier om ervaring op te doen in deze sector en een manier om te proberen mijn uren en taken rustig op te bouwen. Ik stuurde hem een berichtje om eens te informeren of daarvoor ruimte was. We hebben een en ander besproken, ik ben onderworpen aan een proeve van bekwaamheid en nu is het dan zo ver: ik ben afgelopen week begonnen!

Een leuke en spannende tijd breekt aan. Groot is mijn dankbaarheid jegens mijn studiegenoot en de boekhandel. Groot is mijn enthousiasme. Gaat dit lukken? We gaan het zien.