Monthly Archives: December 2013

Social junkie

Ik was altijd een gezonde misantroop. In mensenmassa’s ervoer ik een gezonde dosis haat jegens al die randdebielen die te hoop liepen op de plek waar ik, geheel toevallig, ook was. Liep ik in de Kalverstraat, mompelde ik, zoals normale mensen plegen te doen, voortdurend ‘rot op’ tegen eenieder die ook maar iets te lang voor mijn voeten draalde, terwijl ik doelgericht, zoals dat hoort, van de ene naar de andere winkel snelwandelde.

Buiten deze volstrekt logische weerzin, was ik vooral een heel sociaal wezen. Een gezelligheidsdier. Een kwebbeltante. De hang naar sociale interactie nam toe naarmate ik langer werkzaam was in het onderwijs. Iedere dag zag ik klassen vol pubers en lerarenkamers vol collega’s. Iedere dag stortte ik mij vol overgave in de interactie die al deze mensen van mij vroegen. En iedere dag genoot ik daar meer van. Een klas vol leerlingen is een heerlijk publiek, of je ze nu over de Latijnse grammatica of over je ellendige ochtend vol kattenpis en punaises op bureaustoelen vertelt. Een klas vol leerlingen is tegelijkertijd een heerlijke vorm van entertainment, één zo levendig, bruisend en verrassend die je zelden in het theater aan zult treffen. Is die bubbelende werkomgeving voor een beginnend docent nog overweldigend, na verloop van tijd raak je verslaafd aan dat sociale dompelbad.

Toen ik van de één op de andere dag ineens niet meer mijn dagelijkse dosis sociale interactie kreeg, omdat ik niet meer werkte, noch in sociaal turbulente gelegenheden kwam, merkte ik pas hoezeer ik aan die sociale wervelwind verslaafd was geraakt. Ik had het ineens nodig om aan iedereen die ik sprak elke scheet die ik de afgelopen tijd had gelaten te vertellen. Het werd me langzaam duidelijk hoe erg ik mijn fix nodig had. Ik was een social junkie.

Opnieuw en opnieuw verbaast het me hoe goed een mens in staat is zich aan een veranderde situatie aan te passen. Als social junkie kon ik niet cold turkey mijn sociale leven opgeven. Het is het zwaarste gevecht geweest wat ik tot nu heb moeten leveren. Mijn sociale leven heeft een enorme klap opgelopen door mijn hersenletsel. En nu ik me niet langer iedere dag kan opwarmen in het sociale dompelbad van mijn werk, is dat extra moeilijk. Een half jaar geleden zag ik een sociale component aan ander werk dan ook nog als een absolute must. Niet langer met groepen mensen werken, daar wilde ik wel aan toegeven, maar helemaal verstoken van iedere sociale interactie, dat zou mij ongelukkig maken.

Cold turkey mijn verslaving opgeven was voor mij inderdaad te zwaar. Maar mijn rehab heeft me doen inzien dat mensen mijn grootste energieslurpers zijn. Zelfs in aangepaste vorm – één op één of in kleine groepjes – kost iedere sociale activiteit mij vrijwel alle energie van de dag. Dus hoorde ik mezelf afgelopen vrijdag tegen de mevrouw van het re-integratiebureau zeggen dat ik beter NIET met mensen kan werken. Dat ik liever eenzaam en in rust werk. Het mes snijdt dan aan twee kanten: werk heeft meer kans van slagen en ik houd energie over voor een sociaal leven ernaast.

Sinds het ongeluk ben ik niet langer een gezonde misantroop. Mijn mensenhaat heeft ongezonde proporties aangenomen. Mensen brengen een enorme hoeveelheid prikkels met zich mee en mijn ongezonde brein kan die prikkels niet goed verwerken. Sociale interactie brengt niet langer alleen een high. Te veel sociale interactie maakt me kapot. De behoefte aan een fix blijft echter bestaan. Dus geniet ik. Met mate.

Een harde krent

Vorige week schreef ik over de krenten in de pap. De dingen die me het gevoel geven weer een leven te hebben. Soms bijt je dan op een harde krent, een krent met een steeltje.

Zaterdag waren mijn broer en schoonzus 12,5 jaar getrouwd. Een gelegenheid die ik graag mee wilde maken. Een krent.

Na een reis van twee uur aangekomen bij de feestlocatie hoor ik muziek. Oi, denk ik. De zaal binnengelopen zie ik vier bowlingbanen. Dubbel oi. 

En dus zet ik al mijn strategieën in om het vier uur durende feest zo goed mogelijk door te komen én mee te maken. 

Ik vraag of de muziek zachter mag. Dit gebeurt. Tijdelijk.

Als het bowlen begint, ga ik op de gang zitten. Dit helpt. Een tijdje.

Na het eten ga ik op de gang boven zitten. Dit biedt soelaas. Even.

Als de koek echt op is, probeer ik mijn oordoppen nog even. Het is niet meer genoeg. 

Dus kies ik als laatste oplossing een nieuwe: ik ga in de auto zitten. In het donker. Op de parkeerplaats. Alleen. Rust, stilte, duisternis. 

Niet veel later ga ik met mijn ouders mee naar huis. Weer een krent meegepakt. Helaas bleek deze krent een flinke harde steel te hebben. En heb ik weer een les geleerd: naast alle voorbereiding die ik al trof, voortaan informatie bij de gastheren inwinnen over de locatie.

De kersen. Of de krenten.

Ik heb een leven. Zomaar. Ineens. Een leven. Nog amper bekomen van een feestje vorige week, maak ik me alweer op voor een feestje morgen. Het zijn wilde tijden.

Ik had het druk. En zwaar. Vandaar mijn vergelijking met Sisyfus. Er was de revalidatie, werkdromen met reële brainstromsessies en afspraken. En er waren vele leuke dingen! En er staan nog vele leuke dingen op stapel ook! Die leuke dingen kosten enorme voorbereiding. Niet alleen neemt de praktische voorbereiding veel meer tijd en energie in beslag dan voor mijn hersenletsel, geestelijk is het ook een uitputtingsslag. In praktisch opzicht moet ik dingen uitzoeken en regelen waar ik vroeger niet bij stil stond: hoe kom ik er? hoe lang blijf ik? hoe ga ik naar huis? blijf ik ergens slapen? waar blijf ik slapen? wat zijn de nadelen van daar blijven slapen? hoe zorg ik dat ik optimaal uitgerust ben vooraf? wat moet ik allemaal achteraf afzeggen? hoe lang heb ik nodig om bij te komen? moet er een cadeautje mee? wanneer ga ik dat aanschaffen? enz. enz. Al deze vragen moeten beantwoord. Maar al deze vragen blijven in een cirkeltje terugkeren in mijn hoofd. Mijn hoofd lijkt maar niet te begrijpen dat ik bepaalde dingen al had afgestreept. Opgelost. En ziedaar de geestelijke uitputtingsslag. Honderd keer hetzelfde cirkeltje. Gekmakend. Er hoeft maar één ding mis te gaan of te veranderen en het hele circus begint opnieuw. Alle voorzichtig neergezette dominosteentjes vallen om doordat dat ene steentje is omgevallen.

MAAR. Ik wilde het vandaag juist hebben over de andere kant. Ik heb dus een leven. Ik doe leuke dingen. Kijk ik terug op november dan zie ik:

Een weekend bij mijn familie.

Een bezoek aan een theatervoorstelling. Voor het eerst sinds het ongeluk ging ik weer naar het theater. Zorgvuldig uitgezocht. Een korte voorstelling, overdag, in een klein theater. Een voorstelling waarvan ik sterk vermoedde dat er geen hysterische poeha bij kwam kijken. Gewoon twee mensen op de vloer. Twee mensen die praten. Geen muziek, geen beelden, geen geschreeuw. Dit zou ik aan kunnen. En dit kon ik aan. Ja, ik was overweldigd door zo veel mensen (ongeveer 80) in één zaal. Wat maken die een herrie. Ja, ik vroeg me halverwege de een uur durende voorstelling al af of het bijna afgelopen was (concentratie op) en begon hevig te gapen. Ja, ik vreesde voor het applaus dat zou komen. En ja, wat was het een succes. Wat was het heerlijk om weer in een theater te zitten. Wat was het leuk om dit weer te doen. En wat was ik mijn vriendin P. dankbaar dat ze, toen ik het voorzichtig voorstelde, direct kaartjes had gereserveerd zonder het mij te zeggen. Ik voelde nu geen druk, amper spanning en kon me er volledig op verheugen.

Een heus feestje bijwonen. Ik ga nog even verder in mijn dankbaarheid. Want wat voelde ik mij vorige week weer gezegend. Een feestje voor (oud-)studenten klassieke talen bij een inmiddels gepensioneerde docent thuis. Tijdens de studie al traditie: één keer aan het begin van het collegejaar om de nieuwe studenten te verwelkomen en leren kennen en één keer vlak voor Kerst. Aan die Kerstbijeenkomsten heb ik de mooiste herinneringen: iedereen nam wat eten mee, het kerstevangelie werd voorgelezen, eerst in het Grieks, dan in het Latijn en tot slot in het Nederlands, waarna de hoogleraar Grieks achter de piano kroop en we met z’n allen kerstliederen zongen. Kneuteriger krijg je het niet, maar Kerstiger ook niet. Dat wij nu, al lang en breed afgestudeerd, nog steeds welkom zijn bij onze docenten thuis en allemaal, studenten en docenten gelijk, enorm genieten van dit samenzijn, doet mij immens deugd. Niet voor niets kroonde ik deze avond tot mijn mooiste van 2013.

Mijn leven is de laatste tijd nogal veel pap. Maar er is ook weer ruimte voor de krenten. Ik heb een leven. En wat doet mij dat goed.