Monthly Archives: May 2013

Vakantie – Voorbeschouwing

Tijd voor een mijlpaal. Een positieve dit keer. Althans, ik stuur al mijn postieve gedachten naar het daarvoor bestemde plekje, opdat dit inderdaad een positieve ervaring gaat worden. Ik ga op vakantie. De gemiddelde lezer denkt nu: ‘natuurlijk wordt dat een postieve ervaring, hallo-ho, vakantie!’ Maar ik heb hem de afgelopen weken behoorlijk geknepen. Want ik zie beren op de weg. Heel veel beren. Ik noem er een paar: 1. Schiphol: druk, licht, chaotisch, lastig om me ergens terug te trekken. 2: Vliegtuig: een ander soort druk (krijgt mijn hoofd niet last van het drukverschil?), lang in dezelfde houding, lastig om me ergens terug te trekken. 3. De heenreis in zijn geheel: te lang zonder rusten. 4. Energie ter plekke: wat als ik net alleen maar slechte dagen heb? 5. Al het onvoorziene: niet mijn vaste dagritme, mijn eigen huis, mijn eigen bed, waar ik goed weet waar mijn grenzen liggen.

Ondertussen begint mijn tafel langzaam vol te raken met reisartikelen: Lonely Planet, zonnebrand, reiskussentje, wereldstekker (niet nodig), reisdagboekje. Op zoek naar deze items kwam ik nog meer fijne dingen tegen: klamboe, lakenzak, deet, flight bag. En langzaam begint het in te dalen.

Ik ga op reis.

Hoe anders ook. Ik mis het bonnefooi-gevoel, het écht avontuurlijke reizen. Ik word gek van mezelf, omdat ik probeer ALLES voor te bereiden. Maar ik ga op reis. Langzaam maar zeker komen de positieve vibes. Is het meeste nu echt voorbereid en begin ik me íets minder druk te maken. Nu is het de beurt aan mijn zus om zich druk te maken. Niet alleen ‘moet’ zij met deze basket case op reis, zij gaat ook nog voor het eerst vliegen. Voor het eerst zo lang zonder man en kinderen weg. Moet straks rijden in de bergen, terwijl ze geen diepte ziet. Zo zie je maar, ook zónder hersenletsel is er reden genoeg om je druk te maken als je op vakantie gaat.

Maar ik ga ophouden me druk te maken. Ik heb het zo goed mogelijk voorbereid. En nu ga ik het los laten. En dat moet hier toch gaan lukken.

Image

Sayonara!

Flashback: the day after

Ik werd dus wakker in een ziekenhuis, zoveel was mij inmiddels duidelijk. Ik drukte op het belletje voor een verpleger. Steunend op de verpleger aan mijn rechterkant en de infuusstandaard aan mijn linkerkant strompelde ik naar de WC. Onderweg word ik begroet door een 80-jarige Brit: ‘goodmorning, love, you seem to have forgotten your bottoms.’ Ik kijk omlaag. Inderdaad, ik heb geen broek aan. En geen sokken. Alleen een blauw ziekenhuishesje en een onderbroek. Oh well. In de WC kijk ik in de spiegel. Wat is er in vredesnaam gebeurd? Ongeluk, zeggen ze, maar ik zie er uit alsof ik flink in elkaar ben geslagen. Ben ik misschien beroofd? Aangerand? 

Terug op de kamer is er ontbijt. Dat nuttig ik aan tafel op een stoel, naast mij immer gezellig mijn infuus. Al kauwend, wat met gebroken botten in je gezicht een pijnlijke onderneming is, onderwerp ik mijn kamergenoten aan een ondervraging: weten zij misschien wat er met me is gebeurd? Ook zij denken dat ik een ongeluk heb gehad. Ze weten me bovendien te vertellen dat mijn telefoon in het laatje van mijn nachtkastje ligt. Langzaam komt die informatie binnen. Telefoon. Laatje. Nachtkastje. Telefoon… Telefoon!!! Ik heb een telefoon! Natuurlijk! Zoiets bestaat. En had ik natuurlijk bij me. Het besef van het bestaan van de mobiele telefoon, míjn telefoon in het bijzonder, had mijn brein tijdelijk verlaten. Ik vond het briljant om het weer terug te hebben. Ik schuifelde naar het tafeltje naast mijn bed en pakte mijn zwarte bes uit het laatje. Er zijn tig nieuwe berichten. Allemaal van vrienden en familie die eerder en beter op de hoogte blijken te zijn van wat er met mij aan de hand is dan ik. Raar. 

Hoe laat is het? 9.20u. Shit, ik moet lesgeven! Om 9.15u begon mijn eerste les van de dag. Eerst maar even school bellen dat ik niet kom. Maar ook school blijkt al op de hoogte van de reden van mijn afwezigheid. Fijn. Raar.

De zwarte bes begint de themesong van Sex & The City te spelen. Mijn moeder belt. Ik herinner me dat mijn moeder er gisteren was. Mijn vader ook. En mijn zus. En vriendin R. Ik kan me niet herinneren dat ik ze heb gezien of met ze heb gesproken, maar ik weet dat ze er waren. Aan de telefoon vertelt mijn moeder dat ze straks samen met mijn vader op het bezoekuur komt. Dat blijkt vanaf 11 uur te zijn. Ze komen eerst op bezoek en gaan dan naar mijn huis om spullen te halen en de kat, want ik ga na mijn ontslag met hun mee naar huis, de kat naar mijn zus. Hè, wat? Nee. Ontslag? Hè? Nee. Naar jullie huis? Hè, wat? Nee. Ik ga gewoon naar mijn eigen huis. Mijn moeder is verstandig, zegt ‘we zien je zo’ en hangt op. 

Ik kijk naar mijn handen. Naast bloed op mijn knokkels is er nog meer rood. Mijn nagels. Blijkbaar had ik die gelakt. Mijn teennagels ook. Ik kan mij niet herinneren dat ik dat heb gedaan en het voelt heel misplaatst nu. Helemaal kapot, bont en blauw, in ziekenhuishesje en onderbroek, aan een infuus, maar met keurig roodgelakte nagels.

Ik val in slaap.

Image

 

Heipaal (Change Approved!)

De reden dat ik Cougar Town een fijne serie vind, is dat het een aantal leuke terugkerende elementen heeft. Zo is er het zelfbedachte spel Penny Can met bijbehorende uitroep of Elly’s terugkerende sure, sure, sure. Dit soort catch frases maken een serie. Kenners zullen direct Cool. Cool, cool, cool, cool.  kunnen linken aan Community. Of Legen – wait for it – dary aan How I Met Your Mother.

Een voorbeeld uit Cougar Town dat ik ga gebruiken in mijn leven is het veranderen van de betekenis van een woord of uitdrukking. Neem slap out of it. Soms is het nodig om iemand een slap te geven in order to snap out of it en dus zeggen Jules en Elly nu altijd slap out of it. Iedere verandering wordt bekrachtigd door Elly’s change approved! Ik ga dit doen met het woord mijlpaal. Voor de negatieve mijlpalen in het leven ga ik voortaan het woord heipaal gebruiken. Want:

  1. De negatieve mijlpaal wordt begeleid door een continuë dreun in mijn hoofd.
  2. De negatieve mijlpaal stampt mij steeds een beetje verder de grond in.

Dus. Negatieve mijlpaal = heipaal. Change approved!

De heipaal van vandaag was een bezoek aan de bedrijfsarts. De ellende die ik wist dat zou komen was eindelijk hier. Eind vorige week zag ik het ineens aankomen. Er zitten wat nare dingen in het verschiet. Bijna een jaar ‘ziek’, dat betekent dat er werktechnisch stappen gezet moeten worden. Toch was ik hier nog niet op voorbereid. De bedrijfsarts smeet ineens met termen als FML en AD. Ik was even stil, in de veronderstelling dat hij deze termen toe ging lichten. Toen dit niet gebeurde, vroeg ik aarzelend: ‘moet ik vragen wat dat inhoudt?’ Aangezien de vooruitgang steeds langzamer verloopt, zo niet geheel stil staat, is het moment daar om een arbeidsdeskundige (AD) zijn licht over de situatie te laten schijnen. Dit gebeurt aan de hand van een functiemogelijkhedenlijst (FML), zo begreep ik na ongeveer 26x uitleggen.

We gingen de functiemogelijkhedenlijst invullen. Dat is een vrij demprimerende bezigheid. Er zijn 6 rubrieken en iedere rubriek heeft een heleboel vragen. Vragen aangaande mijn functiemogelijkheden. Het ging ongeveer zo:

Kun je voorover buigen om iets op te rapen? Ja, al word ik dan duizelig. Kun je 20x in een minuut voorover buigen? Nee, dan word ik te duizelig.

Kun je lopen? Ja. Hoe lang kun je lopen? 30 minuten. Hoe lang kun je verspreid over een werkdag lopen? Uhhh… Dit werd geïnterpreteerd als 2-4 uur.

Kun je staan? Ja. Hoe lang kun je staan? 30 minuten. Hoe lang kun je verspreid over een werkdag staan? Uhhh… Dit werd geïnterpreteerd als 2 uur.

Kun je boven je hoofd werken? Nee.

Kun je je hoofd zonder beperkingen draaien? Nee.

Kun je 15 kg. tillen? Nee. 10 kg? Nee. 5 kg? Ja.

En zo een miljoen vragen. Allemaal heel logische vragen voor een docent klassieke talen.

Ik werd er niet zo vrolijk van. In 20 minuten werden -voor mijn gevoel- een miljoen vragen op me afgevuurd die al mijn beperkingen blootlegden. Nee, dat kan ik niet. Nee, dat kan ik niet. Ja, dat kan ik een beetje. Enige empathie in dit proces ontbreekt. Dat snap ik, de man doet gewoon zijn werk. Maar terwijl hij zijn werk doet, word ik langzaam de grond in geheid en mag ik niet buigen. Sterk als een heipaal.

Achteraf vind ik het nog stommer. Voor de FML hadden we -de bedrijfsarts en ik- nog vastgesteld dat ik lijd aan iets dat in het hersenletseljargon trage informatieverwerking wordt genoemd. Die informatieverwerking heeft betrekking op alles wat via de zintuigen binnenkomt. Dat gebeurt dus trager. Zo zie ik andere verkeersdeelnemers steeds een seconde te laat. De vergelijking met verbindingen, werk aan de weg en omrijden uit mijn vorige stukje gaat hier weer mooi op. De standaard verbinding is verbroken. Werk aan de weg. De prikkel wordt omgeleid en mijn hersenen reageren nét wat trager op wat mijn zintuigen opmerken. Als iemand mij een onverwachte vraag stelt, duurt het nét iets langer eer ik dat heb ‘gehoord’ en begrepen. Vaak vraag ik de ander de vraag eens te herhalen. De bedrijfsarts gaf mij heel weinig tijd om de vragen tot me door te laten dringen en nog minder tijd om goed en naar waarheid te antwoorden. Voor een deel van de vragen gaf hij me geen tijd, daar gaf hij zelf het antwoord op. Hoe fijn was het geweest als ik deze lijst zelf in alle rust had kunnen invullen. Nu weet ik de helft van de vragen niet meer en van de helft die ik wel weet, de meeste antwoorden niet meer.

Aan het eind van het gesprek mocht ik nog vragen stellen. Inmiddels duizelde het me van alle vragen en de consequenties van alle antwoorden. Dit zou een ieder hebben, maar het zou fijn zijn als er enige rekening was gehouden met mijn trage informatieverwerking. Ik probeerde nog duidelijkheid te krijgen over hoe nu verder. Hoe werkt dat dan met die arbeidsdeskundige. Of ik nog steeds kan terugkeren in mijn oude functie ook als we nu opschrijven dat we gaan kijken naar een andere functie. De bedrijfsarts was denk ik toe aan zijn lunchpauze, want gaf nog een beetje antwoord en bonjourde mij de deur uit.

Voor mij was dit een ding. Een heipaal. Voor hem gewoon een werkdag als alle andere. Een zoveelste werknemer.

Thuis de hoogste tijd voor mijn middagdutje. In bed deed ik het gesprek nog zo’n 20x over. Ik voegde ook nog een vraag toe: Hoe krijg je iemand met hersenletsel zo snel mogelijk in een depressie? Vul een functiemogelijkhedenlijst in. Succes gegarandeerd.

Rosie’s lullaby

Je kan ook te veel slapen.

Laten we zeggen dat het in de genen zit. Mijn vader slaapt redelijk veel. 8 à 9 uur per nacht. Als hij minder slaapt, krijgt hij hoofdpijn, is hij niets waard en niet te genieten. Ook ik ben een veelslaper. Altijd al geweest. 8 à 9 uur per nacht. Heb ik minder slaap, dan haal ik dat in het weekend in met nachten van 10, soms 11 uur. En dan functioneer ik goed. En dat vind ik fijn.

Sinds ik hersenletsel heb, slaap en rust ik nog meer. Tussen 21.30 en 22.00 ga ik naar bed, tussen 8.00 en 9.00 sta ik op. ‘s Middags slaap/rust ik ongeveer een uur en vaak ga ik voor het eten ook nog even 20 minuutjes liggen. En dan ben ik nog moe. Niet de hele dag, maar iedere dag wel een moment. Sommige mensen suggereren dan dat ik te veel slaap. Dat ik me zoveel slaap heb aangewend. Dat het misschien veel beter zou gaan als ik gewoon 8 uur per nacht zou slapen en daarmee basta. Daar geloof ik niet in. Het zal voor sommige mensen zo werken, voor mij niet. Ook niet voordat ik hersenletstel had.

Het jaar dat ik Pfeiffer en parasieten had, was ik altijd moe. Ik sliep heel veel. Doordeweeks 9 uur per nacht. In het weekend moest ik bijslapen en maakte ik niet zelden nachten van 13 of zelfs 14 uur. Ook toen dachten mensen dat ik te veel sliep. Maar stel je voor: er zitten beestjes in je lijf. Hele kleine minuscule beestjes. In je darmen. Miljoenen beestjes. Beestjes die er niet horen. Die beestjes moeten ook eten. Anders gaan ze dood. En dat willen die beestjes niet. Ze eten en eten en eten van míjn energie. Om dezelfde hoeveelheid activiteiten te kunnen doen als ik altijd al deed, moest ik dus ergens extra energie vandaan halen. Extra rusten. Extra slapen.

Nu zitten er gelukkig geen beestjes in mijn hoofd (tenminste.. laten we hopen van niet). Maar (zo stel ik me voor) sommige verbindingen zijn verbroken. Werk aan de weg. Of aan het spoor. Om op dezelfde plek te komen als vroeger, moet ik nu kilometers omrijden. Via andere verbindingen op dezelfde plek komen. En dat kost een stuk meer brandstof. Dus moet ik meer bijtanken. Meer rusten. Meer slapen.

Als ik steeds op tijd bijtank, kom ik niet zonder benzine te staan. Ik moet ook niet ineens heel hard gaan scheuren om die extra kilometers te compenseren, dan raakt de tank nog sneller leeg. In mijn geval betekent dat voor mijn dagindeling, naast slapen en rusten het volgende:

Gesteld dat ik iedere dag wil douchen, drie maaltijden wil bereiden en nuttigen, de meest essentiële huishoudelijke taken wil bijhouden, dan houd ik iedere dag brandstof over voor een zware activiteit van 3 à 4 uur (inclusief reistijd). Die zware activiteiten zijn werk (3 uur), sportschool/fysio (2 uur), nasleep ongeluk (bedrijfsarts, huisarts, advocaat, etc.), lezen, boodschappen, was, sociale contacten. Als ik me braaf houd aan die 3 à 4 uur, heb ik iedere dag voldoende brandstof om het te redden tot het tankstation. Ga ik er overheen, sta ik ergens in the middle of nowhere met een lege tank.

Met een lege tank kom je niet vooruit. De snelste route kun je niet eens meer afleggen. Maar aangezien je ook nog moet omrijden, ziet het er helemaal hopeloos uit. Je hebt een flinke jerrycan benzine nodig. Je moet flink bijtanken. Je moet veel slapen.

Spreken is zilver, zwijgen is brons

Soms is het best lastig om de juiste woorden te vinden. Onlangs heeft de moeder van een leerling zelfmoord gepleegd. Ik stuurde de leerling een kaartje. Maar welke woorden drukken uit hoe erg je het voor haar vindt?

Zelf ben ik nogal neurotisch als het op het vinden van de juiste woorden aankomt. Gooi het op mijn achtergrond, mijn jarenlange studeren op teksten, op wat er precies in die teksten wordt bedoeld, op hoe een klein woordje een wereld van verschil kan maken in de communicatieve bedoeling van de auteur, op een bachelorscriptie over de betekenis van het Griekse ‘a’, maar waar het ook ontsprongen is, ik vind het belangrijk dat mijn taal precies weergeeft wat ik voel, denk, vind of bedoel. Het verschil in nuance tussen twee woorden die op het eerste oog synoniemen zijn, kan voor mij wereld(beeld)veranderend zijn.

‘Sterkte de komende tijd’ zal je mij niet horen zeggen. Hoewel ‘komende’ volledig onbepaald is en dus over de oneindige toekomst kan gaan, klinkt het toch alsof de spreker/schrijver er een afgebakende periode mee bedoelt. Alsof de komende tijd enkel het eerste rouwproces beslaat. Eén maand, drie maanden, wie zal het zeggen? Maar dan moet de eerste horde wel genomen zijn. De diepste rouw over zijn. En voor die eerste horde, die diepste rouw, wensen we sterkte. Maar hoe zit het dan met de tijd erna? Een geliefde, vriend of familielid blijf je toch je hele leven missen? Daar kun je ook je hele leven sterkte bij gebruiken.

Helaas werkt deze tic ook de andere kant op. Als men iets tegen mij zegt, kan ik daar nogal zwaar aan tillen. Taal is voor mij immer dé manier om zeer precies weer te geven wat er in je omgaat, hoe je over bepaalde zaken denkt, welke emotie je voelt. Met vriendin M. heb ik regelmatig ellelange discussies, waarin we ons best doen de ander te overtuigen van ons standpunt om er uiteindelijk achter te komen dat we precies hetzelfde bedoelden, maar dit anders verwoordden.

Maar laat dit nou een punt zijn waarop ik iets heb geleerd van de situatie waarin ik verkeer. Eigenlijk maakt het als het tegenzit niet zo heel veel uit wat men zegt. Alle woorden zijn welkom. Alles is beter dan niets zeggen. Het leed negeren. Of, nog erger, de getroffene negeren. Helaas ben ook ik mensen tegen gekomen die, wellicht omdat ze niet weten wát ze moeten zeggen, maar niets zeggen. Alle verkeerde woorden zijn beter dan dat.

Toch zou ik niet ik zijn als er niet een paar woorden waren waar ik moeite mee heb. ‘Het komt wel goed’, is daar een voorbeeld van. Inmiddels begrijp ik dat de communicatieve waarde van dit zinnetje niet het letterlijke ‘het komt wel goed’ is, maar meer ‘we weten niet hoe het afloopt, maar je slaat je er wel door heen. Ik ben er voor je, het komt wel goed’. Het heeft even geduurd voordat ik dat inzag en ik niet bij iedere ‘het komt wel goed’ mezelf moest inhouden om een tirade af te steken in de trant van ‘o ja? Het komt wel goed? Wat knap dat jij dat weet! Geen arts kan mij ook maar íets vertellen over de toekomst, maar als jij zegt dat het goed komt, dan zal dat zo zijn. Fijn. Dank je.’ Een ander voorbeeld is ‘maar je kán het wel / maar je hebt het tóch maar gedaan’, als ik iets ‘nieuws’ heb gedaan, waarvan ik heb gemerkt dat het nog geen goed idee is. Ongetwijfeld is hiervan het doel het positieve te benadrukken. Het werkt echter averechts. Ik geniet heus wel van dingen die ik weer voor het eerst doe, daar heb ik echt niemand voor nodig om me er op te wijzen. Maar als de kater zó hevig is, dan betekent dat in feite dat ik die activiteit nog niet kán doen. Je kunt ook een marathon lopen met een gebroken been, maar of dat nou verstandig is?

Stiekem zal ik altijd blijven muggenziften over de finesses van taal. Maar niets zeggen? Dat is zeker geen optie. Dus bel ik nu makkelijker een zieke collega. Omdat ik door ervaring weet dat je bijna onmogelijk het verkeerde kunt zeggen.

Bij twijfel kun je altijd op safe spelen door precies te zeggen wat er in je omgaat. Ik schreef de leerling: ik leef met je mee en ik denk aan je. Sterkte.