Happy end

De boer en zijn meiden gaven een cijfer aan hun leven. Voor de één was het een 6,5, voor de ander een krappe 7. Volgens iemand op Twitter waren het maar sufkutten. Met iemand die zijn leven geen 8 of hoger waard vindt, is geen lol te beleven. Ik dacht na. Welk cijfer zou ík mijn leven geven?

Ik snapte de mupjes uit Boer zoekt vrouw wel. Ze lieten ruimte voor groei. Ruimte voor de liefde. Een groter compliment konden ze hun boer niet geven. Natúúrlijk was hun leven nog geen 10 waard, niet zo lang ze niet wisten of hun liefde wel beantwoord werd. Maar het lag ook aan de vraag. Als ik mijn leven een cijfer moet geven, tel ik de ‘fouten’, de dingen die (nog) missen. In mijn geval een blakende gezondheid, een baan, een man, een gezin. Dan eindig ik ook rond de 7, denk ik zo. Dus stelde ik me een andere vraag: ben je gelukkig? Het antwoord was een volmondig JA. Ik kon zelfs niets bedenken dat mijn gevoel van geluk zou vergroten. Een blakende gezondheid niet, geen baan, geen man, en alsjeblieft geen gezin.

Inmiddels wist ik heus wel dat geluk niet in bezit zit. Geld maakt niet gelukkig. Alle luxe en mogelijkheden van de wereld en je kunt nog steeds door een depressie worden getroffen. Maar door zelf te erváren dat er niets is dat mij gelukkiger kan maken, ging ik het pas echt geloven. Geluk is niet die leuke baan, dat fantastische sociale leven, de perfecte partner. Geluk ligt geheel besloten in de manier waarop je met het leven om kunt gaan. Soms gaat dat makkelijk, soms gaat dat moeilijk.

Vandaag is het vijf jaar geleden dat ik werd aangereden. Vijf jaar geleden dat mijn leven zo ingrijpend is veranderd. Inmiddels geniet ik van mijn nieuwe leven. Ook mijn nieuwe leven kent moeilijke momenten, verdrietige periodes, tegenslag. Zoals ieder leven. De confrontatie met mijn oude leven blijft moeilijk. Maar desgevraagd zou ik het geloof ik niet meer terug willen.

Ik heb in de afgelopen vijf jaar afscheid moeten nemen, maar ook veel herwonnen. Ik heb dingen afgesloten, maar ben ook weer op gaan bouwen. En ik ben gelukkig.

En met die zin, de zin waarmee ik ook mijn ‘Before the crash’ – pagina ben geëindigd, komt er een einde aan deze blog, aan Rosie-M After the crash. Het is klaar. Dit hoofdstuk van mijn leven is af. Bedankt voor het meelezen en wie weet tot ooit, elders.

 

Advertisements

Omdenken*

Ineens was hij er weer. De mokerslag. De confrontatie met het oude leven en het gemis van de dingen die daarbij horen.

Een paar weken geleden kwam ik erachter dat een oud-leerling in een Toneelschuur productie staat. Nog geen vijf jaar geleden deed hij eindexamen en nu mag hij al spelen met grootheden als Roeland Fernhout en Hajo Bruins. Ik was onder de indruk. En trots. En wilde de voorstelling natuurlijk dolgraag zien. Ik bekeek de speellijst en begon met uitvogelen. Wat was haalbaar? Na lang wikken en wegen moest ik concluderen dat het niet ging lukken. En wat had ik daar de pest in. Ruim een week was ik sikkeneurig, meer dan dat. Ik dacht terug aan het schooltoneel dat ik altijd organiseerde, aan de stukken waarin ik zelf heb gespeeld en alle voorstellingen die ik bezocht in de vele theaters van de stad. Theater heeft altijd zo’n grote rol in mijn leven gehad. Ik ben er zelfs op afgestudeerd. En nu is het weg. Vrijwel helemaal verdwenen. Foetsie.

Waar ik vele andere bezigheden heb kunnen aanpassen aan mijn beperkingen, kán dat met theater niet. Films kan ik thuis kijken middels Film1 en Netflix. Yoga kan ik thuis doen met behulp van fijne youtubefilmpjes. Lezen kan ik met behulp van een e-reader. Fietsen kan ik op een e-bike. Ik geef weer les en houd me zelfs weer bezig met een oude taal. En onlangs heb ik weer een museumkaart aangeschaft, omdat ik, nu ik in de stilte van mijn dorp de rust heb om te herstellen, weer meer puf heb om musea te bezoeken. Met de juiste aanpassingen kan ik reizen. Alleen theater kán ik niet aanpassen. Te veel beperkende factoren liggen buiten mijn invloedssfeer. Alleen al het feit dat 95% van de voorstellingen om 20.30u beginnen is problematisch als je ‘s avonds niets kunt ondernemen.

Na een paar dagen sikkeneuren had ik bovenstaande op een rij gezet. Hoe ik bijna alles heb kunnen aanpassen, behalve theater. En ineens kon ik dat omdraaien. Dat ik bijna ALLES van mijn oude leven weer doe. Dat ik bijna al mijn bezigheden van voor het ongeluk in een aangepaste vorm weer heb kunnen oppakken. Dat inzicht maakte me zo ontzettend blij, dat ik nu nog op die heppiedepeppie-wolk zit.

Het suckt big time dat ik mijn oud-leerling niet kan zien spelen. Het suckt big time dat ik nog maar zo weinig met theater doe in mijn leven. Maar er zijn ook hier mogelijkheden. Ik ga soms naar lunchvoorstellingen. Korte voorstellingen in de avond behoren in de toekomst wellicht tot de mogelijkheden. Kijk ik naar alles wat ik heb teruggewonnen, zie ik reden om ook op dit gebied hoop te houden.

Afbeeldingsresultaat voor omdenken

* Ik heb een schurfthekel aan dit soort termen. Omdenken, terug in je eigen kracht, je eigen regie voeren, brrr. Nare managementtermen. Maar hoe lang ik ook nadacht, op een betere titel kwam ik niet. Dus sorry. Omdenken it is.

In verband met Kerst enzo

Het is koud. Rijp vormt zich op de met herfstkleuren bebladerde planten. Ik slaap deze koude winternachten onder het winterdekbed. Het is december. De Sint is nog even in het land. Ik maak een surpise. Ik brei. En tijdens het breien zingt het door mijn hoofd: ‘it’s beginning to look a lot like a jumper’. And like Christmas.

Ah, Kerstmis. Ik wil dit jaar een kerstboom. Ik wil de korte dagen binnen zitten en luisteren naar kerstmuziek. Ik wil een fijne wandeling maken op deze mooie winterdagen. Ik wil breien en haken en lezen en een kerstfilm kijken. Ik wil lekker eten, ik wil drinken, ik wil naar de nachtmis, ik wil kerstliedjes zingen bij het vuur, ik wil spelletjes doen. Ik wil Kerstmis. Ik wil mijn Kerstmis.

Ik zou zo graag mijn eigen Kersttradities beginnen. Altijd schuif ik aan bij de tradities van anderen. Fijne tradities, fijne anderen. Maar het hersenletsel heeft dat bepaald niet makkelijker gemaakt. Wat zou het fijn zijn om in mijn eigen hutje een klein, knus Kerstfeest te vieren. Bij gebrek aan eigen gezin om nieuwe tradities mee te maken, denk ik na hoe ik dit toch kan realiseren. Een idee vat post.

Een alternatieve Kerst. Een Kerst met vreemden. Met nieuwe vrienden. Een Kerst met mensen die misschien geen familie hebben om Kerst mee te vieren. Of met mensen die moeite hebben hun wensen met hun (beperkte) mogelijkheden  te rijmen. Of gewoon met mensen die eens wat anders willen.

Wie doet er mee?

 

 

Leeghoofd*

Onlangs bedacht ik het volgende plaatje om de werking van mijn gemankeerde brein in kaart te brengen:


Voor het ongeluk had ik een goed werkend filter, waardoor alleen de prikkels die ik nodig had mijn brein binnenkwamen, de ruis werd weggefilterd. De informatie sijpelde vervolgens rustig door een ruime doorgang en werd goed verwerkt. Door het ongeluk is mijn filter stuk en komt alles binnen. Alles komt ook nog harder en feller binnen, weergegeven door de wijde opening van de trechter. Daarnaast is de doorgang sterk vernauwd (de informatieverwerking is vertraagd), waardoor er al snel flinke opstopping ontstaat in de trechter. Door prikkels zoveel mogelijk te mijden en regelmatig te rusten, kan ik voorkomen dat de trechter té vol raakt. Gebeurt dat wel, heeft het consequenties voor het functioneren (informatie komt niet meer binnen, ik verlies het overzicht) en voor de (nacht)rust**.

Omdat mijn informatieverwerking is vertraagd, is het moeilijk om nieuwe dingen te leren. Toch wil ik dat graag, dus ik ging op naailes. Daar in het atelier, waar alles nieuw is en het licht fel, is het soms lastig om iets te begrijpen. De naaijuf heeft me al tien keer uitgelegd wat ‘recht van draad’ is en negen keer kreeg ze enkel een blanco blik als blijk van onbegrip. Mijn hoofd is op zo’n moment vol watten en neemt niks op. Na de tiende keer snap ik het concept ‘recht van draad’ min of meer, maar kan ik het zelf nog geenszins bepalen op een nieuwe stof en weet ik ook totaal niet hoe ik dan mijn patroondelen op de stof moet leggen, zodat het allemaal goed komt.

Allemaal geen probleem. Geen man overboord. Ooit snap ik het vast en ik heb geleerd om me daar niet druk om te maken.

Maar toen moest de auto een APK. Alleen over het maken van de afspraak deed ik al twee weken. Want er kwam van alles bij kijken en het was allemaal nieuw. Waar ging ik dit laten doen? Hoe lang duurt zoiets? Wanneer komt dat dan uit? Hoeveel rusttijd heb ik ervoor en erna nodig? Ga ik iets doen tijdens de APK? Wat dan? Wat is een handig tijdstip om de auto te brengen? Wil ik vervangend vervoer? Een leenfiets? Uiteindelijk had ik een afspraak gemaakt waar al die vragen min of meer bevredigend beantwoord waren, toen bleek dat ik toch de verkeerde garage had gekozen (ik heb namelijk een pas waarmee het gratis kan, maar die pas blijkt alleen bruikbaar bij de garage waar ik de auto kocht). Dus begon het hele circus opnieuw.

Gisteren was de afspraak. Ik had alles goed voorbereid, zo dacht ik althans. Ik bracht de auto naar de garage in Zwolle, kreeg een leenfiets mee en ging de stad in. Mooie gelegenheid om weer eens een museum te bezoeken. Na een uur zag ik dat er gebeld was door de garage. Ik stond in een museum met een afschuwelijke akoestiek en kon de voicemail amper verstaan. Ik zocht een rustig plekje dat ik vond in de wc en luisterde nogmaals. Ik moest terugbellen en vragen naar.. zijn naam was niet te verstaan. Ik dacht na. Als alles goed was en de auto klaar, was dat wel op de voicemail ingesproken. Er was dus iets. Poep. Dat had consequenties. De auto zou vast pas eind van de dag klaar zijn. Dan moest ik een hele dag in de stad spenderen en vervolgens, zonder gerust te hebben, in de schemer, of zelfs al het donker***, naar huis rijden. Dat leek me geen veilige optie. Ik bedacht dat ik zou voorstellen de auto de volgende dag op te halen en met de trein naar huis te gaan. Ik maakte mijn museumbezoek af en ging op zoek naar een plek om te lunchen.

Ik vond deze fantastische koffieplek en net terwijl ik me wilde installeren ging de telefoon. De garage. De meneer met de onverstaanbare naam legde uit wat er moest gebeuren. Inmiddels had ik een flinke ochtend achter de rug: naar Zwolle rijden, contact bij de garage, in een vreemde omgeving fietsen, een museumbezoek met alle drukte, akoestiek en prikkels die daarbij horen en alle prikkels in de koffietent. Mijn trechter was al goed gevuld of stroomde zelfs al over. Daarbij voerde ik het gesprek buiten in een winkelstraat en had mijn oortjes niet bij me (waarmee ik me iets beter kan afsluiten van de omgeving). Een telefoongesprek voeren in dergelijke omstandigheden is iets dat ik doorgaans tracht te vermijden. De informatie komt dan gewoon niet binnen. Dus nadat de meneer met de onverstaanbare naam zijn verhaal had gedaan, dacht ik dat de monteur iets kapot had gemaakt wat ik nu moest betalen, dat de auto uitgeleend moest worden, wat ik moest betalen en dat er nieuwe banden op moesten. Ik heb mezelf inmiddels aangeleerd dat ik niet alles hoef te begrijpen in zo’n situatie, zolang ik maar weet wat er van mij wordt verwacht. In dit geval: wat gaat het kosten en wanneer kan ik de auto halen. Maar ik vond het verhaal met de monteur die mijn auto sloopte en het uitlenen zo raar, dat ik één keer om opheldering vroeg. Nu denk ik dat een steenmarter (?) iets heeft gesloopt en de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.

De auto zou eind van de middag klaar zijn. Mooi, op dit deel had ik me voorbereid. Ik zou de auto maandag ophalen. Ik liep weer naar binnen en checkte op mijn telefoon hoe laat de treinen gingen. En toen ging het pas echt mis. Ik wilde nog een broodje eten, maar moest ook over 20 minuten weg om de trein te halen. Ik vroeg of dat zou lukken en kreeg een antwoord dat ik interpreteerde als ‘ja’, maar wat later ‘nee’ bleek te zijn. Inmiddels was ik alle overzicht kwijt, wijzigde ik 5x mijn bestelling, betaalde uiteindelijk voor thee en een broodje, maar liep met thee en carrotcake to go de deur uit, de lieve juffrouwen in verwarring achterlatend. Ergens midden in de verwarring en het gedoe had ik nog sjans, maar dat kon mijn brein al helemaal niet verwerken.

Eenmaal thuis was ik gesloopt. Tijdens het rusten sijpelde alle informatie langzaam door de trechter en begon ik in te zien waar het mis was gegaan. Al doende leert men, dit gebeurt me minder en minder. Maar de situaties waarin het wel gebeurt, zullen zich blijven voordoen.

Het gouden randje van dit verhaal? De eerste keer onderhoud aan mijn auto heb ik doorstaan. De volgende keer weet ik beter wat ik kan verwachten en kan ik me dus beter voorbereiden. En ik heb ook nog de lekkerste carrotcake OOIT gegeten. Zou ik anders toch maar mooi hebben gemist.

*Het tegenovergestelde is het geval. Juist als mijn hoofd (of beter, de trechter) te vol is, kan ik niet meer goed nadenken en functioneren en vóel ik me een leeghoofd.
**Dit is dan ook de reden dat ik ‘s avonds vrijwel nooit iets onderneem. Mijn hoofd kan dat niet meer verwerken voor ik ga slapen met als gevolg dat ik (minstens) de halve nacht wakker lig om dat alsnog te doen.
***Ik was altijd al een beetje nachtblind (en in schemer zie ik nog slechter), maar sinds het ongeluk is dat flink verergerd.

 

Home, sour home

Ik schreef al eens eerder een stukje met deze titel. Ik was drie maanden in Thailand geweest en had een reisblog bijgehouden. Eenmaal thuis schreef ik m’n laatste stukje, het stukje ‘Home, sour home’. Drie maanden was ik weg geweest en ik had geen centje heimwee gevoeld. Lopend van de gate naar de bagagehal op Schiphol wilde ik maar één ding: omkeren. Terug naar het Verre Oosten. Zelfs nog eens 11 uur in een vliegtuig naast een stinkende man zitten. Als ik maar niet naar huis hoefde.

Ik houd van reizen. Ik houd van andere culturen, van het eten, van het in het nu leven, van het terugkeren naar de essentie, naar de simpele vragen. Eén van de kerndoelen van de Klassieke Talen ‘reflectie op het eigene door confrontatie met het vreemde’, vind ik ook terug tijdens het reizen. Is de verzorgingsstaat beter dan zelf te zorgen voor je oudere familieleden? Worden we echt gelukkiger van efficiëntie? Door me onder te dompelen in een andere cultuur word ik gedwongen na te denken over dergelijke dingen. Verstoten van alles wat vertrouwd is, leer ik mezelf beter kennen, leer ik wat echt van waarde is.

Ik houd van reizen. Maar sinds ik hersenletsel heb, is het allemaal net wat ingewikkelder. Sprong ik voorheen nagenoeg onvoorbereid op een vliegtuig, heb ik het nu nodig om alles goed uit te doktoren. Dat kost energie. Ook ter plekke is het niet langer louter pret. Ik moet bijkomen van de reis, wennen aan de nieuwe omgeving en, zoals altijd, veel rusten. Weer thuis moet ik een week uittrekken om bij te komen. Reizen voegt nog steeds veel toe aan mijn leven, maar ik moet er ook veel voor opofferen. De balans slaat maar net positief uit. En dus ben ik altijd ontzettend blij om weer thuis te zijn. Home, sweet home.

Omdat het zo veel kost, en omdat ik al best vaak (binnen Nederland) weg was geweest, hoefde ik dit jaar niet op vakantie. Sowieso leek het me wel ok om eens in de twee jaar naar het buitenland te gaan. Meer dan genoeg. Dus had ik een heerlijke zomer in eigen land. Ik was een paar dagen in Leiden, ging naar een bruiloft, had m’n nichtje te logeren, ging zelf logeren bij een vriendin, fietste, zwom en zat lekker in de tuin. Een heerlijke zomer.

Maar ineens ging het kriebelen. Ik keek wat rond op AirBnB en het kriebelde nog meer. Italië. Wat zou ik daar graag weer heen gaan. Ik was er voor mijn doen al eeuwen niet geweest, namelijk 5 jaar. Maar nee, ik zou niet op vakantie dit jaar.
Op een zondag keek ik nog eens op AirBnB. Ik keek naar vluchten. Ik zocht een huurauto. Een uurtje later had ik een hele vakantie uitgezocht. Wilde ik dan toch weg? De volgende dag legde ik het voor aan mijn vader, nog een dag later was het geboekt, zes weken later vlogen we naar Toscane.

Eergisteren kwam ik weer thuis. Na een heerlijke vakantie. En voor het eerst sinds mijn hersenletsel vond ik dat thuiskomen maar niks. Ja, fijn hoor, m’n eigen bed. Ja, fijn, m’n katten knuffelen. Maar ik zou toch liever nog in Toscane zitten. Home, sour home. En dat gevoel maakt me zo gelukkig! Dat ik weer liever op reis ben dan thuis. Dat ik dat stukje van mezelf terug heb.

Dat wil niet zeggen dat het niet ook zwaar was. Dat de spanning vooraf me energie kost. Dat ik ter plekke vele fysieke ongemakken heb gekend. Dat ik me zelfs zo slecht heb gevoeld dat ik m’n bed niett uit durfde, bang om meteen door m’n hoeven te zakken. Dat ik gewoon vaak heel moe was. Maar ik herstelde sneller. Ik ben veerkrachtiger. Ik heb meer vertrouwen dat het wel goed komt, ook als het slecht gaat. En ik had gezelschap en een plek gekozen waar(mee) dat ook kon. Waar ik kón herstellen. Waar ik kón rusten. Waar ik kón mijmeren in een hangmat tussen de olijfbomen. En waar ik fantastische dingen heb kunnen doen en heerlijke dingen heb kunnen eten. En heb kunnen reflecteren op eigen cultuur en eigen leven.

En dus is het thuis in het koude Nederland net wat minder fijn. En dat vind ik dan weer heerlijk. Home, sour home. Olé.

img_5113

Alleen

Er zal vast een tijd zijn geweest dat ik het niet goed kon. Alleen zijn. Toen ik een baby was, bijvoorbeeld, en nog afhankelijk van anderen om voedsel te krijgen. Maar ik kan het me niet heugen. Groepswerk op school? Ik gruwelde ervan. Laat mij maar alleen werken. Sneller, efficiënter en gewoon makkelijker. Dat eeuwige gebakkelei over details is gewoon niet aan mij besteed.

Ik kan goed alleen zijn. Altijd al. Maar in mijn volwassen leven helemaal. Ik heb sinds ik het huis uit ging altijd alleen gewoond en heb dat nooit (ok, bijna nooit) als eenzaam ervaren. Me ook buitenshuis in m’n remi vermaken heb ik moeten leren. Dat vond ik tijdens mijn nog onzekerdere-dan-de-puberteit adolescentie ongemakkelijk. Ik voelde me een loner. Een zomercursus in Griekenland veranderde dat. Ik ontmoette daar allemaal toffe mensen die alleen reisden. Die na de cursus nog een paar dagen naar Delfi gingen. Alleen. Dat wilde ik ook. Nog diezelfde zomer ging ik een paar dagen naar Parijs. Alleen. En toen was het aan.

Een half jaar later verhuisde ik naar Amsterdam. De stad is dé plek bij uitstek om dingen alleen te ondernemen. Want je bent nooit de enige die iets alleen doet. Dus ging ik alleen koffie drinken, alleen naar de film, alleen lunchen, alleen naar het theater en, in 2007, alleen op een verre, lange reis. En waar anderen zich misschien zorgen maken over eenzame gevoelens tijdens zo’n lange, verre reis, was ik juist bezorgd dat ik te weinig alone time zou hebben, daar in het Verre Oosten.

Van al deze ervaringen pluk ik nu de vruchten. Als de aanwezigheid van andere mensen zo veel energie kost, dat je niets meer overhoudt voor andere dingen, is het heel fijn om goed alleen te kunnen zijn. Ik geniet er ook echt van. Ik vind het heerlijk dat mijn huis helemaal bestaat uit mijn spullen. Dingen die ik mooi vind. Geen compromissen, geen lelijke barca loungers (ook al kan ik dan dit soort dingen niet doen:)

Geen zondagen voetbal op tv hoeven te verduren (echt, nooit dat ik dat voor iemand ga doen), niet wakker worden van een wekker om 6.30u en bovenal stilte.

Als ik zin heb om naar het Veluwemeer te fietsen, dan fiets ik naar het Veluwemeer. Als ik zin heb om in de tuin te zitten lezen, dan zit ik in de tuin te lezen. Als ik zin heb in koffie buiten de deur, ga ik koffie drinken buiten de deur. Als ik een scheet moet laten, laat ik een scheet. En hopelijk ga ik ooit weer op reis, als ik zin heb om op reis te gaan. Want in praktisch opzicht heb ik tegenwoordig wat vaker gezelschap nodig dan voorheen. En dat HAAT ik. Niet omdat ik andere mensen nou zo vervelend vind, maar omdat autonomie voor mij het allerbelangrijkste is wat er is. Het heeft me ongelooflijk veel moeite gekost om te accepteren dat ik niet meer alles altijd alleen kan. Want ik vind het geen probleem om alleen een avond naar het theater te gaan, maar ik kan dat fysiek niet alleen. Ik heb iemand nodig die me erheen kan brengen.

Alleen zijn is het laatste taboe, zei Mark Rutte bij Zomergasten. In het NRC was een paar dagen later een artikel over dit onderwerp te lezen. Ik denk dat hij gelijk heeft (geef ik Mark Rutte nou gelijk? Malle ik.). Als mensen vernemen dat ik geen relatie heb, vragen ze vrijwel altijd direct of ik op een datingsite zit. Ik vind dat zo’n rare reactie. Ik vraag op mijn beurt, als ik hoor dat de ander getrouwd is, toch ook niet of hij of zij op Second Love zit? ‘Maar ik ken heel veel mensen die elkaar op een datingsite hebben ontmoet’. Tja, ik ken ook mensen die elkaar op Sensation White hebben ontmoet en daar ga ik óók niet heen.

Het is voor veel mensen niet te begrijpen dat je het prima vindt om alleen te zijn. En het mag dan het laatste taboe zijn (al trek ik dat ‘laatste’ ernstig in twijfel), volgens mij is het tevens iets dat maar al te veel mensen stiekem benijden. In Here I Am laat Jonathan Safran Foer één van de hoofdpersonages (Julia) een gesprek voeren met een man die net is gescheiden en dat heerlijk vindt. Julia kan dat niet geloven. De man vraagt haar: ‘als je heel eerlijk zou zijn, zou je dan niet liever ook alleen zijn? Alleen op vakantie? Weer eens écht op vakantie? In plaats van op vakantie en de rugleuning van je stoel niet eens raken, omdat je steeds je kinderen* in de gaten moet houden?’ Julia wil het niet toegeven, maar als lezer weet je dat dit inderdaad is wat ze wil. Zij en haar man Jacob zien elkaar niet meer echt, communiceren niet meer echt, zijn niet meer echt geïnteresseerd in wat de ander beweegt. Iets dat na verloop van tijd en in de vaart der volkeren maar al te makkelijk in menig relatie sluipt.

Alleen zijn. Doen waar je zelf zin in hebt. De tijd aan jezelf hebben. Tijd hebben om een boek te lezen. Ongeneerd scheten laten. Genieten van een film of een bezoek aan een museum. Je vakantie invullen zoals jíj dat wilt. Je huis inrichten zoals jíj dat wilt. Wie wil dat nu niet?**

*Uiteraard is de situatie mét kinderen anders dan met alleen een partner.
**Nee, alleen zijn is niet alleen maar leuk. Maar daarover een andere keer. Voor nu bezingt Bert de beide kanten van alleen zijn prachtig in de tophit ‘Alleen’:

 

Tunnelvisie

DSC01357Wat is een mens toch een grappig wezen. Een egocentrisch wezen. Het blijft verdomd lastig om je te verplaatsen in een ander. Of dat nou gaat om de buurman of een Syrische vluchteling. Om een boer- of bikini. Dit is helemaal niet gek. Een groot deel van hoe je de wereld ziet en beleeft is gebaseerd op je eigen ervaringen. Dus lijkt het je logisch, dat als jij tot weinig meer in staat was in je laatste maand zwangerschap, dat dit voor anderen ook geldt.

Niets menselijks is mij vreemd. Ook ik lijd aan dergelijke tunnelvisie. En dat leidt tot grappige inzichten. Lange tijd vergeleek ik mijn leven met hersenletsel met mijn leven zonder hersenletsel. Mijn leven sinds het ongeluk met mijn leven voor het ongeluk. Alles was een slap aftreksel van mijn eerdere leven. Maar hoe langer ik mijn leven leid mét hersenletsel, hoe meer dat de standaard wordt. In mijn hoofd doet iedereen middagdutjes. Ik snap het nooit als mijn zus met haar kinderen er om 12.00 uur opuit gaat. De dag eindigt immers om 13.00 uur. Toch?

Deze week boekte ik een vakantie. Ter voorpret bladerde ik door mijn Lonely Planet. Alles bleek op comfortabele afstand van het huisje dat ik had geboekt. Top. Tot ik goed keek. Comfortabele afstand. Siena ligt op bijna 2 uur rijden van ons Toscaanse huisje. Dat kan helemaal niet op één dag, dacht ik. Dan moet je echt daar een hotel boeken. Twee dagen lang was ik boos op de Lonely Planet. Toen pas viel het kwartje. Mijn dag laat zo’n uitstapje niet op één dag toe, een normale dag wel! Ik stelde me ineens voor hoe zo’n uitstapje er voor mij uit had gezien vóór mijn ongeluk. Om 9 uur weg, dan ben je daar om 11 uur. De hele dag rondsjouwen, musea bekijken en ergens op de terugweg uitgebreid eten om tegen 22.00 of 23.00 uur weer in het huisje terug te keren. Een comfortabel dagtripje, een comfortabele afstand. Alleen laat mijn belastbaarheid van maximaal 4 uur (en een rustdag erna) zoiets niet toe.

Vroeger, ja vroeger. Vroeger wel. Ik lees in mijn reisdagboekje nog eens over mijn laatste Italiëtrip. Op één dag van Sorí in Ligurië met de trein naar Lucca om te lunchen en te fietsen, dan naar het strand bij Torre di Lago om te zwemmen en vervolgens naar Pisa om te dineren en te slapen. Geen probleem. Het lijkt een leven geleden. Het past niet meer in mijn dag en het past niet meer in mijn tunnel. Dat eerste is jammer, dat tweede fijn. Want als mijn belastbaarheid – althans in mijn ogen – de standaard is, stop ik met vergelijken. Ik ben niet meer steeds boos of teleurgesteld dat ik maar zo weinig kan.

Je af en toe, of zelfs regelmatig, verplaatsen in een ander: ik zou willen dat we daar allemaal wat beter in waren. Dat je probeert te begrijpen waarom iemand een boerkini wil dragen. Dat je luistert naar een ander en alles niet al invult op basis van je eigen ervaringen. Maar soms is het heel fijn om dat niet te doen. Omdat soms blijkt dat je een stuk gelukkiger bent als je eigen leven de standaard is.